Lief herstelt van de griep. Gedachteloos begint ze aan de dringende klusjes. Terwijl ze een bord in de vaatwasser zet, dwaalt haar blik naar het raam. De zon valt precies zoals toen, die middag dat hij haar belde vanuit Nairobi. Jules. Na zijn reis naar Kenia had hij gebeld: hij lag in het ziekenhuis met een longontsteking. Ze had hem toen gezegd dat hij beter voor zichzelf moest zorgen. Daarna hadden ze nog één keer kort contact. Zoals altijd wanneer hij te lang niets van zich laat horen, heeft ze de neiging om zijn naam te googelen.
Het is niet de eerste keer dat hij verdwijnt, maar dit voelt anders. Zonder erbij na te denken opent ze haar computer en tikt ze zijn naam in. De eerste links zijn vertrouwd: sociale media, zijn bedrijf. Dan valt haar oog op een link naar een begrafenisondernemer.
Ze aarzelt…
Klikt.
Zijn gezicht verschijnt op het scherm, de glimlach die ze zo goed kent. Onder de foto twee datums: de eerste is zijn geboortedag en de tweede?
NEE!
Dat kan niet!
Maar de rouwbrief laat geen ruimte voor twijfel: hij is dood. En de uitvaart heeft al plaatsgevonden. Haar mentor, haar geliefde: gestorven.
Ze weet dat sterven op negenenzeventig niet uitzonderlijk is. Ze beseft dat ze hem in een vlaag van vrees googelde, maar dat… dat begrijpt ze niet. Hij zou hoogbejaard worden, juist zoals zijn moeder; daar was ze vast van overtuigd.
De gewoonheid van haar gedachten voelt vreemd. Ze observeert de afwezigheid van de verlammende emoties die ze verwacht.
De volgende morgen komt ze op automatische piloot uit bed. Onder de hete douche schrobt ze haar huid in een poging alles van zich af te spoelen. Haar armen trillen, haar huid gloeit. Het spiegelbeeld dat naar haar tuurt, herkent ze amper: bleek en oud, vooral oud.
Ze reikt naar hun laatste telefoongesprek, dat ze tot nu toe wegdrukte. Het was kort. Hij was erg vermagerd en kwam niet meer buiten. Mogelijk zei hij nog meer, maar dat is verdwenen in de waas van haar eigen koortsige hoofd. Toen zijn vrouw thuiskwam, moest het gesprek, zoals zo vaak, abrupt eindigen.
‘Zorg goed voor jezelf.’ Het waren de laatste woorden die ze tegen hem zei. Te weinig. Veel te weinig. Zijn antwoord is verdwenen. Mogelijk zei hij, zoals hij altijd deed: ‘Salut.’
De herinnering aan het telefoontje smaakt bitter. Had hij haar willen waarschuwen?
Alles in haar wil bewegen, maar niets gehoorzaamt. Het snijdt haar de adem af. Het schuurt tegen elke gedachte. Dan staat ze een klein beetje verdriet toe. Het schroeit in haar keel, vult haar borst. Haar ogen prikken, maar er komen geen tranen.
‘Dat wordt het zonder hem,’ fluistert ze. Verder reikt haar denken niet. Ze probeert het wel, maar haar gedachten stranden telkens bij dezelfde grens: hij is er niet meer.
Geen administratieve mallemolen die op een overlijden volgt, niets dat haar kan afleiden van het beangstigende niet meer. De dagen verliezen hun vorm, lopen traag in elkaar over. Ze kijkt naar de klok: slechts tien uur. De wijzers schuiven weifelend vooruit. Voor haar ligt nog een eindeloze ochtend, een lege middag, een avond die niet dichterbij wil komen.
Misschien moet ze hem verankeren in iets tastbaars.
Een eigen herinneringskaartje?
Maar dat kaartje alleen volstaat niet.
Ze moet hem ergens neerleggen in de wereld. Ze trekt haar jas aan, zet haar muts op en fietst naar het kerkhof. Ze weet niet wat ze daar gaat zoeken. Hem zal ze er niet vinden, weet ze.
Op het kerkhof dwaalt ze tussen de graven. Ze kijkt verstrooid naar de namen, de data. Ze ziet een scheefgezakte steen, een plastic bloempot die is omgewaaid. Ze hoort het kraken van het bevroren gras onder haar schoenen. Aan de rand van het kerkhof staat een bankje. Ze gaat zitten, trekt haar muts dieper over haar oren en steekt haar koude handen diep in de zakken van haar jas. Even sluit ze haar ogen. Dan kijkt ze omhoog naar de staalblauwe winterhemel.
Een eerste snik. Ze schrikt ervan. Dan nog één. In dat ene moment sterft hij voor haar. In dat ene moment wordt het verlies echt, niet langer een bericht op het scherm.
‘Hij is dood.’ Ze zegt het fluisterend.
Na het kerkhof verlangt ze naar gezelschap. Alleen Marie en haar vriendin Suzanne weten van haar relatie met hem, de getrouwde man met wie ze zoveel jaren deelde.
Ze belt Suzanne, en ze spreken af in het park op een bankje weg van het wandelpad.
Zodra ze Suzanne ziet, proeft ze het zout op haar lippen. Suzanne zegt niets, gaat zitten en neemt Lief in haar armen.
‘Het is… het voelt gewoon… weet je? Alsof het niet echt is. Alsof ik het niet kan grijpen. En het doet meer pijn dan logisch is. En dat laatste gesprek… Suzanne, ik voel me zo schuldig. Wat als hij afscheid nam en ik het niet hoorde?’ Ze veegt haar neus af met haar mouw.
‘Ik dacht dat ik al afscheid had genomen,’ zegt Lief. ‘Al twee jaar hebben we elkaar niet meer ontmoet. Het contact bestond alleen nog uit telefoongesprekken. En zelfs toen we elkaar nog zagen, was het altijd tussenin. Een paar uur. Een restaurant. Een wandeling. Een telefoontje.’
Als haar stem stopt, blijft het even stil. Dan antwoordt Suzanne: ‘Misschien hoef je het allemaal niet te begrijpen. Mogelijk hoef je alleen maar ervoor te zorgen dat je het overleeft. Dat je doet wat jou altijd al heeft geholpen.’
In de bibliotheek haalt ze enkele boeken uit het rek. Ze bladert en leest hier en daar een alinea. Terwijl ze leest, ontstaat er weerstand. Geen enkel gedicht, geen enkele herinnering, kan hem minder dood maken. Ze voelt zich plots moe van al die woorden. Er ontbreekt iets. Niet alleen hij, maar ook hun manier van samenzijn lijkt nergens te passen in die verhalen.
Ze moet zelf een boek maken: Het Julesboek. Een verzameling foto’s, citaten en flarden van gesprekken, de dingen die hij ooit schreef en brieven die zij nooit durfde te versturen.
Ze begint te zoeken in haar kasten, tussen haar boeken en ook online.
Onder in een lade vindt ze een foto van de rozen die hij haar gaf bij zijn eerste bezoek. Onder een stapel oude kleren ligt het T-shirt dat hij in zijn haast scheurde. Uit een oude map valt het verjaardagskaartje dat hij haar stuurde vanuit New York. Tussen de pagina’s van een boek vindt ze een brief in zijn handschrift, met de krullende letters. Ze legt hem bij de foto van de rozen, het gescheurde T-shirt en het kaartje.
Ze doorloopt zijn sociale media en verwondert zich over wat hij achterliet: nu eens zakelijk en afgemeten – zijn tweede naam was Alexander – dan weer onverwacht poëtisch. ‘Geen plek waar broodjes zo zingen in hun korst, en soezen zo fluisteren van zoetheid, als bij bakker De Korenaar,’ dichtte hij. Ze knipt de citaten uit, slaat de berichten op en bewaart elk stukje zorgvuldig.
Terwijl ze alles een plaats geeft, merkt ze iets vreemds: hij lijkt dichterbij dan ooit. Toen hij nog leefde, wachtte ze vaak op hem. Nu hoeft dat niet meer. En toch is hij er vaker. Het lijkt wel alsof hij is verhuisd van de buitenwereld naar haar innerlijke wereld.
Alles gaat gewoon verder. Dat heeft zijn goede kant. Ze zorgt voor haar huis, voor eten en voor zichzelf, zoals al vele jaren. Het plezier is er nog, maar het rouwt samen met haar.
Niet alleen de herinneringen, maar ook de kruimels van het dagelijks leven brengen hem terug: een lied op de radio, het restaurant waar ze met hem kwam. Als ze de trappen naar haar appartement oploopt, hoort ze achter zich zijn voetstappen, in hetzelfde tempo als de hare.
Ze gaat aan haar bureau zitten en opent het schrift dat ze Het Julesboek is gaan noemen. De woorden moeten ergens beginnen. Met haar dierbaarste herinnering. Ze aarzelt even, maar weet dat dit het juiste vertrekpunt is.
Tijdens de zomer van het vorige jaar bleef haar telefoon lang stil. Ze had het daar moeilijk mee. De gedachte dat er iets kon zijn gebeurd, benauwde haar. Toen ze hem vertelde dat ze vreesde uit zijn gedachten te verdwijnen, antwoordde hij:
‘O, maar dat zal nooit gebeuren. Je bent een deel van mijn leven!’
Die ene zin is het mooiste wat hij haar ooit heeft gezegd, en tegelijkertijd de laatste uiting van genegenheid die ze van hem zal krijgen. Ze leest de zin opnieuw. Ze fluistert de woorden, wachtend op de echo van zijn stem.
Ze betrapt zichzelf op de gedachte: ‘Misschien wen ik er nooit aan dat hij weg is.’ Dan herinnert ze zich hoe vaak ze al een nieuwe Jules heeft moeten leren kennen: de man met de lach, de man met de geheimen. Dit is slechts de volgende gedaante. Ook daaraan zal ze wennen.
Het schrijven in Het Julesboek trekt haar een tunnel in, tot de kou in de kamer of de leegte aan de andere kant van de tafel haar weer bruusk terugduwt in het nu. Ze had gedacht dat de pijn milder werd. Maar dan is ze er weer in alle hevigheid, als een schaduw die gaat en komt. Ze wil dat niet. ‘Kom terug’, denkt ze, ‘O, kom terug, alsjeblieft.’
Tegelijkertijd schrikt ze van de gedachte dat hij ooit echt zou kunnen verdwijnen. Want als het eindelijk stil wordt, blijft hij dan niet achter in die stilte? Wie blijft er dan nog over van de vrouw die zij bij hem was? Mogelijk is ze al veranderd, zonder dat ze het merkte. Misschien is er een stukje van haar met hem verast. Ze voelt zich onaf. Ze neemt een stukje papier. Wacht. Schrijft zijn naam erop. Streept hem dan weer door.
Het Julesboek mag geen aanklacht worden, maar ook geen heiligverklaring. Ze wil schrijven over de schaduwen waar haar zus en vriendin over struikelen, maar ook over de liefde die hij in haar leven bracht.
Ze slaat Het Julesboek open. Even blijft haar pen boven de bladzijde hangen. Dan schrijft ze, niet over zijn dood, maar over hoe hij ooit in een restaurant sprak met een ober die zichtbaar stotterde, zonder één keer ongeduldig te worden.
Officieel interesseerde voetbal hem niet, maar ze glimlachte toen ze hem eens betrapte. Terwijl ze in een restaurant tegenover hem zat, zag ze zijn ogen over haar hoofd naar de televisie glippen. Toen Zidane scoorde, bevroor hij; hij hield even op met kauwen, zijn aandacht volledig opgeëist door de herhaling van het doelpunt, totdat hij besefte dat ze naar hem keek.
Zijn liefde voor honden vertelde haar misschien wel het meeste over zijn binnenkant. Een keer had hij een telefoongesprek met haar plots onderbroken: ‘Wacht even, hij droomt.’ Op de achtergrond hoorde ze de zachte poten over parket schuiven. Daarna sprak hij verder, zachter dan voordien. Ze vroeg zich weleens af of die hond de enige was die de onvoorwaardelijke tederheid kreeg die hij voor de buitenwereld zo zorgvuldig verborgen hield.
Hij was een man die altijd wist wat hij wilde. Hij was intelligent, sterk, mensgericht, vastberaden. Hij wist mensen te overtuigen en hield niet van compromissen.
Ze noteert het zorgvuldig, met een rituele precisie.
Ze leest de zinnen nog eens. Dan zet ze een streep door sterk. Daarna ook door vastberaden. Ze blijft kijken naar wat overblijft: hij was intelligent en mensgericht. Hij wist mensen te overtuigen. Ook dat klinkt haar te mooi. Ze zet eronder: Of misschien wist hij vooral goed wat hij niet wilde. Ze aarzelt en voegt eraan toe: hij wilde geen ingewikkelde gesprekken; geen confrontaties; geen keuzes die iemand pijn konden doen. Op een lege bladzijde schrijft ze: Hij kon mij laten wachten. Soms dagen. Soms weken op een bericht. Ik deed alsof het mij niet raakte.
Ze stopt. Dat is niet waar. Ze krast de zin door. En schrijft: het raakte mij wel.
Dan realiseert ze zich hoeveel ze niet weet. Ze heeft hem nooit zijn tanden zien poetsen, nooit de geur van zijn scheerschuim in een gedeelde badkamer geroken. Ze gokt dat hij zich elektrisch schoor. In haar verbeelding ziet ze hem voor zich, met die glimmende robotmaaier terwijl hij in de zon zat. Ze weet niet veel over zijn ochtendrituelen, maar op andere momenten kende ze hem wel.
En dan, onverwacht, droomt ze over hem, voor het eerst sinds zijn dood. Ze zijn in een station. Ze staan dicht bij elkaar, hand in hand. Hij vertrekt. Ze wil hem nog een kus geven, maar hij weigert, zonder uitleg, alleen die afwijzing. Hij verdwijnt in de mensenmassa, maar hun handen blijven verstrengeld.
Als ze wakker wordt, voelt ze geen verdriet. Pas later, wanneer ze koffie zet en de damp tegen haar gezicht slaat, komen de tranen.
Hij had nooit een vaste plaats in haar dagen. Geen schoenen van hem in de hal, geen krant die hij op tafel achterliet. Hun leven speelde zich altijd af buiten het gewone ritme van dagen en nachten: telefoontjes, wandelingen, restaurants. Toch voelt zijn afwezigheid massief.
Wat zou ze hebben gezien als ze afscheid had kunnen nemen? Ze beeldt zich in dat hij mager was, oud en misschien verschrompeld. Zijn haar helemaal grijs. Toen ze hem de laatste keer zag, kleurde het alleen aan de slapen zilver. Zijn huid zonder warmte.
Maar het beeld blijft vaag. Haar verbeelding stopt voor zijn dood. Misschien is dat beter zo; ze wil zich hem niet in een zielloos lichaam voorstellen. Hij betekent voor haar warmte, luisteren en aandacht. In haar hoofd ontstaat een reeks beelden, als in een fotoalbum: op dat terras waar ze samen zaten of in haar woonkamer leunend tegen de warme radiator.
Als ze wakker wordt, gloeit de nacht nog in haar na. Maar iets voelt anders, lichter, beweeglijker. Wat vreemd.
Ze begint de dag met kleine huishoudelijke taken, doet boodschappen, leest de krant. Langzaam wordt het duidelijker: iets donkers lijkt verdwenen. Als ze in het voorbijgaan naar zijn foto kijkt, merkt ze het verschil nog sterker. De kreet die haar maandenlang achtervolgde – ‘ik wil hem terug’ – blijft uit. Ze kijkt opnieuw, en nu kan ze naar zijn glimlach kijken zonder ineen te krimpen.
Zijn dood ervaart ze niet langer als een indringer die ze de deur uit wil zetten. Het is een meubelstuk in de kamer geworden, iets waar ze langsloopt zonder haar knie te stoten. Hij is er niet, en eindelijk is dat ‘niet’ ook echt waar.
Bij de bakker wacht ze op haar beurt, terwijl de bakkersvrouw praat met een vrouw met een rouwkaart in haar hand.
De bakkersvrouw buigt zich iets voorover. ‘Was het familie?’ De vrouw knikt. ‘Mijn schoonbroer.’
Lief kijkt weg. Haar vingers sluiten zich steviger rond het handvat van haar boodschappentas.
Ze denkt aan de eerste weken na zijn dood. Aan hoe ze gewoon boodschappen bleef doen, alsof er niets was gebeurd. Niemand die zag hoe ze zijn favoriete koekjes in haar handen hield en weer teruglegde.
De vrouw met de rouwkaart krijgt een meelevende hand op haar arm. ‘Veel sterkte.’
Lief voelt hoe haar keel droog wordt. Zij kreeg niets. Geen condoleances. Geen stem die zijn naam voorzichtig uitsprak, alsof hij breekbaar was geworden.
Als het haar beurt is, vraagt ze om een volkorenbrood; eten voor een gewoon leven. ‘Dat is dan drie euro twintig,’ zegt de bakkersvrouw. Lief knikt, betaalt en stopt het brood in haar tas.
Buiten ademt ze diep in. Mensen lopen haar voorbij zonder te weten dat ze weduwe is van een man die nooit officieel de hare was.
‘s Avonds schrijft ze in het schrift. Ze vormt het woord ‘weduwe’. Het ziet er vreemd uit op het papier. Ze fluistert het de kamer in.
Ze heeft niets van hem om vast te houden. Geen vingerafdruk op een hanger, geen as in een juweeltje, niets wat ze kan omvatten en fluisteren: ‘Hier ben jij nog.’
Plots is dat gevoel er weer. Het was er de voorbije weken al meer, maar ze begrijpt het niet. Het lijkt alsof hij er niet meer is. Neen, dat is het niet. Het zit dieper. Ze kijkt naar de weerschijn van de zon in een venster. En dan dringt het tot haar door: het is alsof hij alleen in haar verbeelding heeft bestaan.
Ze pakt haar telefoon en kijkt naar zijn foto. Die is echt, maar ze is niet door haar genomen. Ze heeft ze gedownload, zoals ze honderden afbeeldingen van mannen had kunnen opzoeken. Ze laat zich op de sofa zakken terwijl ze resoluut tegen zichzelf zegt: ‘Hij was echt!’
Ze zit even roerloos. Dan ziet ze het: zijn naam, met die kleine krulletjes die altijd zo onmiskenbaar hem waren. Ze komt recht, haastig doorzoekt ze Het Julesboek en vindt het verjaardagskaartje. En daar staat zijn naam. Ze glimlacht.
Wat als ze die handtekening zou laten graveren? Een bedeltje, haar eigen Juleshanger. Alleen van hem. Alleen voor haar.
Ze opent het internet, vindt de naam van een goudsmid, en maakt een afspraak.
De jonge vrouw in het atelier luistert aandachtig terwijl zij haar verhaal vertelt. De vrouw zegt niets, maakt een ontwerp. Ontroerd knikt ze. ‘Ja, zo stelde ik het me voor.’ Ze kijkt de vrouw dankbaar aan, en in de warme blik die ze terugkrijgt ligt begrip. Nog even geduld. Dan zal ze het dragen dicht bij haar hart.
Toen ze zijn foto op de kast zette, nam ze zich voor er niet tegen te spreken. Zonder het te merken is ze er toch tegenaan beginnen te spreken, eerst gedachteloos, daarna vanzelfsprekender. Ze glimlacht dan naar hem, zegt goedemorgen of slaap wel. Ze vertelt hem wat ze denkt over de gebeurtenissen in de wereld.
Soms komt er onder het verdriet iets anders vandaan. Woede. Het overvalt haar onverwacht. Terwijl ze boodschappen doet. Terwijl ze een glas afdroogt.
Hoe heeft hij haar zo kunnen achterlaten? Niet door te sterven, daar kon hij niets aan doen, maar door niets na te laten. Geen bericht. Geen naam van een vertrouwenspersoon. Geen enkel teken dat zei: als er iets gebeurt, laat haar weten dat ze belangrijk was.
Ze probeert mild te blijven. Ze weet hoe bang hij was voor confrontaties, voor ingewikkelde emoties, voor alles wat mensen dwingt kleur te bekennen. Maar soms denkt ze: nee. Nee, dit was niet alleen angst. Dit was ook lafheid. Hij liet haar achter in een niemandsland.
Met een harde klap zet ze haar glas op het aanrecht.
Zij moest doen alsof er niets was gebeurd. Alsof de man die haar jarenlang had opgebeld, vastgehouden, gekust, beluisterd, nooit werkelijk had bestaan. Dat onrecht brandt soms feller dan het gemis zelf.
Ze gaat voor zijn foto staan.
‘Je had me niet zo mogen achterlaten,’ zegt ze, hardop nu.
De woorden blijven in de kamer hangen. Voor het eerst slikt ze hen niet in. Maar onder dat alles blijft liefde liggen. Ze kan hem niet haten. Zelfs in haar woede beschermt ze hem. Ze kijkt opnieuw naar zijn gezicht. Ze ademt diep in. Ja. Ze is boos op hem. Maar misschien nog het meest op een wereld waarin iemand intens bemind kan worden en toch officieel niemand blijkt te zijn.
Soms juist tegen de ochtend droomt ze van hem. Ze loopt door straten die ze niet kent in een stad waar ze nog nooit was. Ze heeft er met hem afgesproken. Ze is bang om te laat te komen en loopt verder, maar de ontmoetingsplaats komt niet dichterbij. Dan ziet ze zijn verwarde blonde haren voor zich opduiken. Maar voor ze hem kan bereiken, verdwijnt hij in de mensenmassa.
Terwijl ze ontbijt, overlopen haar gedachten de afgelopen maanden. Ze heeft ze nauwelijks geleefd. De tijd haalde fratsen met haar uit: hij rekte zich uit, kromp ineen, kroop weer terug in zichzelf in de vorm van herinneringen die levensechter waren dan het dagelijkse leven. Gedachten en emoties hoopten zich op in een uitgerekt nu. Dagen die voorbijgingen zonder glans. Maanden dat haar telefoon het melodietje verbonden aan zijn nummer niet speelde.
Dan dient er zich een gedachte aan. Ze duwt haar niet weg. Ze knikt, bijna onmerkbaar, en er glijdt een lachje over haar gezicht. Het is tijd om vooruit te kijken, om te zien wat zich aandient.
Het Julesboek, haar draad naar hem, is af. De bladzijden zijn gevuld met fragmenten: zinnen die ze hem hoorde zeggen, momenten die ze samen beleefden, gedachten die pas na zijn dood vorm kregen. Sommige passages zijn helder, andere rafelig.
Onwillekeurig vraagt ze zich af wat hij van haar herinneringsboek zou hebben gevonden. Hij zal het nooit lezen, maar de vraag blijft hangen. Zou hij zich herkennen? Of zou hij zijn wenkbrauwen fronsen en zeggen: ‘Wat haal jij je toch allemaal in je hoofd?’ Ze heeft geen antwoord.
Ze houdt het boek dat ze alleen voor zichzelf bedoelde losjes in haar handen. Maar nu voelt ze iets verschuiven. Misschien mag het ook zichtbaar worden. Niet voor iedereen, maar voor wie het openen wil.